THEATERONDERWIJS

Sinds 1985, toen ik werd aangesteld als dramadocent aan de zangafdeling van het Koninklijk Conservatorium, tot aan mijn pensionering vele jaren later als Head of Drama Studies aan de Master Opera van de Dutch National Opera Academy (DNOA), heb ik mij ingezet voor de ontwikkeling van theatertalenten, niet alleen op het gebied van opera maar ook op het terrein van toneelspel en regie van (muziekt)heater.
Dit laatste heb ik als docent tot aan mijn pensionering kunnen doen aan de regie-opleiding van de AHK-Academy of Theatre and Dance (vh De Theaterschool, waar ik zelf afgestudeerd was in 1980 en waar ik in 2014 ad interim een half jaar de scepter mocht zwaaien).

Koninklijk Conservatorium, Den Haag
Hoofd drama studies bij de Dutch National Opera Academy tot aan pensionering.

INSAAC, Abidjan
Les aan tweedejaars toneel en verkenning van een regie opleiding.

Academie voor Theater en Dans, Amsterdam
Docent muziektheater verbonden aan de regie opleiding.

Ecole Internationale de Théâtre du Bénin, Togbin
Betrokken sinds de oprichting, inmiddels een gerenommeerd instituut in West Afrika.
SOCIAAL MOBIEL
Hoe ik mijn eigen weg gevonden heb, is onderwerp van een interview dat ik maart 2025 had voor De Theaterkrant met Talitha Stijnman.

JAVIER LÓPEZ PIÑÓN: ‘IK VOEL HET ALS MIJN TAAK MOGELIJKHEDEN TE CREËREN. DAT HEEFT OOK EEN SCHADUWKANT: IK DURF GEEN NEE TE ZEGGEN’
Talitha Stijnman
3 maart 2025
Theaterwetenschapper Talitha Stijnman was de eerste in haar familie die ging studeren. Jarenlang voelde ze zich soms ongemakkelijk in de theaterwereld waarvoor ze zo’n passie koestert. Voor Theaterkrant Magazine interviewt ze collega’s die, net als zij, uit een andere sociale omgeving komen over hoe zij dit ervaren en welke positieve bagage ze vanuit hun achtergrond meebrengen.
Javier López Piñón is regisseur en dramaturg in binnen- en buitenland (onder andere Noord-Ierland, Frankrijk, Caraïben, Benin en Zuid-Afrika). Hij is geboren in Barcelona, waar zijn familie tot de Galicische diaspora behoorde. Daar ontmoette zijn moeder, ‘in zonde levend’, een Nederlandse zeeman, die haar, Javier en zijn zusje meenam naar Amsterdam, waar zijn moeder en stiefvader nog een kind kregen. Javier ging via de mulo naar de 3-jarige hbs, waarna hij op zijn 15de ging werken als administratief medewerker. In die tijd kwam hij erachter dat hij met zijn hbs-diploma naar de nieuwe havo kon. Op 25-jarige leeftijd werd hij aangenomen op de Regieopleiding, waar hij in 1980 afstudeerde.
Hoe was het om op 6-jarige leeftijd in Nederland terecht te komen?
‘Wij woonden met z’n vijven op driehoog in Amsterdam Oud-West. De taal leerde ik snel; op de katholieke basisschool sprak iedereen alleen Nederlands. Thuis hadden ze niet veel aandacht voor me. Mijn stiefvader liep altijd met een grote boog om me heen, het leek wel of hij bang voor me was. Hij was ook maar 12 jaar ouder en in alles anders dan ik. Hij had alleen basisschool gedaan; ik hield van lezen en kreeg, ondanks dat ik naar de mulo ging, een gymnasium-advies . Niet mijn stiefvader of moeder hebben mij gevormd, maar het boek. Er was thuis niet veel, dus ik ging naar de bibliotheek. Vanaf mijn 13de werkte ik in vakanties als loopjongen van de fotograaf bij de rondvaartboten. Van mijn zelfverdiende zakgeld kocht ik op mijn 14de mijn eerste eigen boek: De Verborgen Bron van Hella Haasse. Ik heb het nog steeds, als een soort relikwie.’
Hoe ben je in aanraking gekomen met theater?
‘Op de havo kwam ik in een fantastische klas met een fantastisch lerarenkorps. De havo was een nieuw model en de leraren waren heel ambitieus, wilden hun eigen methodes uitproberen. Onze leraar Engels besloot dat we Shakespeares Macbeth moesten lezen, helemaal en klassikaal.
Maar eigenlijk ontbrandde de vlam op de lagere school. In Gebouw De Liefde werden we vergast op een danseres die een presentatie Indiase dans gaf. Ik was 11 of 12 en kan nog steeds tot in detail vertellen hoe haar sari eruitzag, wat ze deed en wat ze erbij vertelde. Dat je dit kon doen! Dit was magisch!
En met kerst werd tijdens advent in het gymnastieklokaal een grote stal opgetuigd. Daar zag ik dat je iets kan creëren dat niets te maken heeft met de lelijke werkelijkheid er omheen.’
Waarom vond jij dat je niet mocht ontbreken in deze interviewreeks?
‘Dat had te maken met het begrip habitus, waar je vast van op de hoogte bent.’
Eh… Nee?
‘Een sociologisch begrip van Bourdieu. Hij komt zelf uit arbeiderskringen en heeft het verschijnsel habitus wetenschappelijk op de kaart gezet. Een geheel van waarden, gebruiken, gewoonten, manier van omgaan, je uitdrukken, waarvan je je niet bewust bent, maar dat tekent waar je vandaan komt. Ik kan je alle momenten in mijn leven vertellen dat ik mijn habitus letterlijk voelde.
Ik ging veel naar theater, en opera was het helemaal voor mij. Zo besloot ik dat ik operaregisseur wilde worden. Geen idee hoe, maar bij de rondvaart werkte een gids die zei: ‘Leuk, dan moet je naar de regieopleiding.’ Dat ben ik gaan uitzoeken en toen heb ik auditie gedaan. Hoewel ik dacht dat ze me in eerste instantie zouden afwijzen, wilden ze me meteen hebben.
Waar het om gaat, is die eerste dag waarop ik de rest van de klas zou ontmoeten. Ik ging daarheen met lood in mijn schoenen, terwijl ik zo gelukkig was dat ik was aangenomen. Ik vreesde dat ik een figuur zou slaan, tussen allemaal mensen die het vak met de paplepel ingegoten hadden gekregen – klasgenoten als Teuntje Klinkenberg en Moniek Kramer. Maar na een aantal weken bleek dat ik eigenlijk de hoogste graad van algemene ontwikkeling had en dat had ik zelf gedaan. Ik ging al vanaf de lagere school elke woensdag naar het Rijksmuseum omdat ik vond dat ik iets van kunstgeschiedenis moest weten.
Later zijn er meer momenten geweest. In 1995 werd ik uitverkoren om in de toenmalige Raad voor de Kunst zitting te nemen. Ik kwam binnen en dacht: ‘Oh ja, dit is die wereld waar ik nooit echt deel van zal uitmaken. Kijk mij eens hiertussen zitten.’ Hoe die mensen met elkaar omgingen, daar zit een enorme echo achter. Zij spreken onbewust dezelfde taal. Ik klink natuurlijk ook alsof ik zeven vinkjes aantik, maar heb er precies twee. Ik probeer daar niet vanuit te handelen, maar ik ben sociaal nog steeds ongelooflijk onhandig. Ik kan met iemand een gesprek aangaan en dat gesprek stil laten vallen en niet weten hoe dat te voorkomen. Ik ben zo jaloers op mensen die sociaal kunnen kwebbelen. Daar bestaan codes voor en die heb ik totaal niet meegekregen.’
Hoe werkt dat volgens jou door in je carrière?
‘Ik ben per definitie nummer 2, een hele goeie nummer 2, maar nooit nummer 1. Ik durf namelijk geen nee te zeggen. Als je nee zegt tegen iemand, kan iets niet. Die verantwoordelijkheid durf ik niet te nemen. Ik kan niet de baas spelen over anderen. Ik heb daar ook de persoonlijkheid niet voor. Misschien ben ik daarom wel operaregisseur: de dirigent is nummer 1.’
Schaam je je voor je afkomst?
‘Nee, het is een gegeven. Ik beschouw kunst als werk, waar ik mijn brood mee verdien. Dat pad heb ik zelf willen volgen. Mijn afkomst heeft me daarbij niet tegengehouden, maar heeft me ook niet de basis gegeven om zelfverzekerd in het leven te staan. Ik zit tegenwoordig te grasduinen in schrijvers die ook uit een arbeidersmilieu komen en daarop reflecteren. Didier Eribon, Édouard Louis, Annie Ernaux hebben een strijd geleverd tegen hun milieu en zich ertegen af willen zetten. Die behoefte heb ik nooit gehad. Ik hoef niet speciaal voor een intellectueel-artistiek publiek te maken. Achteraf bezien is het denk ik de reden dat ik als regisseur naar Afrika gevlucht ben. Ik hou ontzettend van opera, maar kon niet meer tegen die bourgeoisie die de operazalen begon te vullen. En om ander publiek te bereiken moet je ook op een andere manier over opera nadenken. Muziektheater wordt over de hele wereld gemaakt. Dus ik begon muziektheater van buiten Europa te bestuderen, India, China.
Door toeval ben ik eind jaren negentig in Afrika terecht gekomen. Mijn echtgenoot maakte een voorstelling op basis van een boek van de Nigeriaanse schrijver Ben Okri en wilde veldonderzoek doen naar het Yoruba volk. Omdat ik Frans spreek en hij niet, ben ik met hem meegegaan naar het veiliger Benin, waar een groot deel van die gemeenschap ook woont. Daar wilde ik graag in contact komen met lokale theatermakers en via-via ben ik bij een repetitie van Dine Alougbine gaan kijken. Dat voelde als thuiskomen en we hebben altijd contact gehouden. Na 3 jaar werd hij directeur van een groot internationaal festival en nodigde me uit een operavoorstelling te regisseren op de internationale toneelschool die hij net opgericht had. Ik sprokkelde wat subsidies bij elkaar en met het geld dat voorhet decor was bedoeld, hebben we uiteindelijk achter de school een heel theater kunnen inrichten. Die school functioneert nog steeds. Ik ben vaak terug geweest en heb met bijna elk lichting projecten gedaan. Mijn carrière wordt gekenmerkt door uitersten met operavoorstellingen voor de hoftheaters van Versailles en de Hermitage én met vluchtelingen in een Afrikaans vluchtelingenkamp.’
Zou iemand met een andere sociale achtergrond vandaag de dag jouw route kunnen volgen?
‘Steeds moeilijker. Ik heb kansen gekregen. Op de lagere school zagen ze ook zonder toets dat ik een goed stel hersenen heb. Tijdens mijn regieopleiding kreeg ik automatisch een beurs en renteloos voorschot omdat ik langer dan 5 jaar onafhankelijk was geweest van het ouderlijk inkomen. De gedachte daarachter was: hij heeft die jaren gewerkt en belasting betaald, dus hij heeft het recht verworven om met een beurs te studeren. Dat is nu niet meer mogelijk. De VVD heeft dit land de afgelopen decennia grondig verbouwd. En iedereen is op die partij blijven stemmen met de achterliggende gedachte dat we allemaal rijk zouden worden. Natuurlijk is dat niet gebeurd.’
Had jij een ander beroep kunnen hebben?
‘Ik denk dat als ik uit een ander milieu was gekomen, ik zanger was geworden.’
Wat heeft je milieu daar mee te maken?
‘Ik begrijp zangers, er is voor mij iets wezenlijks aan zingen, maar 90 procent van de conservatoriumstudenten komt uit een muzikale familie, waardoor dat pad zich vanzelf ontrolt. Toen ik op zoek ging naar mijn Spaanse roots bleek dat mijn moeder, als jonge vrouw in Galicië, een ster was in de Zarzuela, de Spaanse operette. Dat heeft ze nooit verteld. Ze is ook nooit naar een voorstelling van mij komen kijken. Dat bedoel ik met een ander milieu, als ze dat met me gedeeld had, was het misschien wel anders gelopen.’
Ben je ambitieus?
‘Ik ben ambitieus voor mezelf. De dingen die ik doe, wil ik goed doen. Een van de gevolgen van mijn achtergrond is dat ik een onderontwikkeld ego heb. Dat is lastig als regisseur, dat ik ruimte laat bestaan die ik best kan innemen. Maar status en macht hebben me nooit geïnteresseerd. Invloed uitoefenen wil ik wel.’
Hoe doe je dat?
‘Ik maakte met Rieks Swarte de voorstelling Kleine Sofie en Lange Wapper bij het toenmalige RO Theater. Toen ze vroegen wat ik wilde met het applaus, heb ik gezegd dat ik ‘Sovjet-Russisch wil danken’. Dat houdt in dat iedereen na afloop het toneel opkomt: van de acteurs en alle technici tot de kassière aan toe. Als het publiek uit-geapplaudisseerd is, wordt terug geklapt. Vervolgens verlaat het publiek de zaal, iedereen blijft op het toneel totdat de laatste bezoeker de zaal verlaten heeft. Dat vind ik kloppen. Toen kreeg ik terug dat ze blij met mij waren omdat ik aandacht heb voor iedereen. En dat heeft direct te maken met het feit dat ik uit de goot kom.’
Foto Herman van Bostelen